“Onzin!”, lachte ik. “Aanstellers!”, riep Emiel. Zo reageerden wij op de dooddoener die wij lazen in ieder artikel over het digitale nomadenschap. “Een jaar lang locatie onafhankelijk werken vanuit het buitenland vergt flexibiliteit en incasseringsvermogen. Dat moet je hebben, anders red je het niet.” Ons jaar verliep nagenoeg vlekkeloos, dus wij wuifden dit zeikerige advies weg. Tot we naar Afrika gingen.

Op naar Rwanda!

Zelfgenoegzaam klapten Emiel en ik onze handen tegen elkaar. ”High five! Afrika is te gek en wij ook!” We zaten op het dakterras van onze toffe co-working space in Kigali. De dag ervoor hadden we een huisgenoot gevonden voor ons fonkelnieuwe appartement in de hoofdstad van Rwanda. We zouden de komende maanden dus wonen voor een appel en een ei. Wat keken we uit naar de komende tijd! Elke dag achterop de motor reizen naar onze co-working space, waar alleen maar inspirerende mensen werken van over de hele wereld. Hoe hadden we ooit kunnen twijfelen om dit jaar ook een tijdje in een een land in  Afrika te gaan wonen, het is hier te gek!

Rwanda ligt niet per se voor de hand als bestemming voor digitale nomaden. Net als ‘gewone mensen’, houden digitale globetrotters ervan om elkaar na te doen. Er zijn dan ook een paar hubs op de wereld waar veel nomads zich verzamelen, voornamelijk in Azië. Denk aan Chiang Mai en Bangkok in Thailand of Bali in Indonesië. Behalve Zuid-Afrika en Marokko zijn Afrikaanse landen niet echt in trek. Dat komt volgens mij voornamelijk doordat veel mensen Rwanda (en andere Afrikaanse landen) associëren met politieke onstabiliteit, slecht internet en algehele onveiligheid.

Hoewel Emiel en ik heus ook wel over die dingen hebben nagedacht, stond het voor ons hoe dan ook vast dat wij Afrika niet zouden overslaan dit jaar. Rwanda was onze nummer één. Dat land zet na de genocide in 1994 alles op alles om ‘het Singapore van Afrika’ te worden. President Kagame leidt Rwanda met strakke hand. Er wordt veel geïnvesteerd in onderwijs, wegen en internet, waardoor de welvaart stijgt. Maar de bevolking betaalt de prijs hiervoor met hun vrijheid. Inlichtingendiensten houden de bijna 12 miljoen bewoners van het kleine land nauwlettend in de gaten. Pottenkijkers zijn niet gewenst.

Met de kennis van de situatie in Rwanda wisten Emiel en ik dat we enigszins op onze hoede moesten zijn. Niet in week één uitpakken met een kritische stuk over de president bijvoorbeeld. Of aan willekeurige voorbijgangers vragen waar zij waren in april 1994. Maar verder maakten we ons niet al te druk.

motoren

Op de motortaxi op zoek naar kantoor en huis.

Het fatale belletje

Terug naar de high five op het dakterras. Na dit zelfgenoegzame moment gaat mijn telefoon. Het is Charles, de man bij wie wij een paar nachten in zijn Airbnb-appartement hebben geslapen. “Ik heb een bezoekje gehad van de migratiedienst. Ze willen weten of jullie niet aan het werk zijn.” Het bloed stijgt me naar het hoofd en ik sta te trillen op mijn benen. “Hoezo zoekt de migratiedienst ons? We zijn hier pas 4 dagen?!”, is ongeveer het enige wat Emiel en ik nog uit kunnen brengen de rest van de middag.

We winnen advies in bij de ambassade. Het advies is duidelijk: stop met alles dat ook maar enigszins op werk lijkt. En aan journalistieke verhalen hoeven we helemaal niet meer te denken. Zo’n bezoekje van de migratiedienst hoeft niet meteen iets te betekenen, maar het kán de voorbode van iets veel vervelenders zijn. Opgepakt worden bijvoorbeeld. Want hoewel wij zelf van mening zijn dat we niet IN Rwanda werken (en geen banen inpikken), kunnen de Rwandese autoriteiten daar natuurlijk heel anders over denken. Wat nu?

Zo dreigt ons Afrika-avontuur al binnen een week op een drama uit te lopen. We hebben net twee maanden huur vooruit betaald, willen eindelijk echt weer aan de slag met onze opdrachten, maar zijn aan handen en voeten gebonden. Die avond blazen we stoom af in een bar in onze straat. We beslissen uit te wijken naar buurland Oeganda. Dat besluit wordt direct beloond met twee godsgeschenken op één avond. Ten eerste ontdekken we Uganda Waragi, een spotgoedkope gin waar je liederlijk dronken van wordt. Ten tweede meldt mijn oud-collega Arne, tevens oud-Afrika-correspondent, dat wij zijn huis in Kampala (de hoofdstad van Oeganda) kunnen betrekken. Yalla, vamos, gaan met die banaan!

Dit is de aanbetaling voor ons appartement in Kigali.

Dit is de aanbetaling voor ons appartement in Kigali.

Op naar Oeganda!

Na een week (vrij paranoïde) gedwongen vakantie vieren in Rwanda, pakken we de bus naar Kampala. We hebben nog geen nieuwe huurder voor onze kamer gevonden, een week niet gewerkt en nauwelijks een idee van waar we zo meteen terecht gaan komen. In het ordelijke en saaie Kigali wordt met een mengeling van minachting en bewondering gesproken over de hoofdstad van het buurland. Groot, chaotisch, ‘echt Afrikaans’, een wild nachtleven, levendig en vrij, zo wordt Kampala getypeerd. De files zijn berucht en de motortaxi’s (boda boda’s) levensgevaarlijk. Spannend!

In Kampala kunnen we meteen weer opgelucht ademhalen (figuurlijk dan, want de geur van verbrand afval en uitlaatgassen belet je soms het ademen). De taxichauffeur die ons naar het huis van Arne brengt, fulmineert de hele reis over de corrupte politieke leiders van zijn land. Precies zoals taxichauffeurs dat horen te doen. Op de radio is een discussieprogramma gaande. De presentator roept mensen op om in te bellen. “Let’s talk about politics. What do you hate about politics?”. Hoewel Oeganda ook niet zachtzinnig met oppositie omgaat, durven veel mensen toch hun kritische mening te uiten. In Rwanda deed niemand dat, zeker niet tegen twee muzungu’s (blanken).

De dagen erna geven wij een geheel eigen invulling aan de term ‘digitale nomaden’. We zwerven van café, naar carwash (ja, echt!), naar BBrood (ja, ook echt!) op zoek naar stabiel en snel internet. Thuis kunnen we niet werken omdat de voorheen betrouwbare internetprovider Orange inmiddels is overgenomen door het malafide Libische Africell. Het checken van een mailtje kost er een minuut of 10. Maar naast een beter beeld van onze buurt, levert onze zoektocht geen goede werkplek op. Na lang ronddwalen vinden we uiteindelijk een fijne maar dure co-workingspace in een villawijk aan de andere kant van de stad. Met noodaggregaat, voor als de stroom uitvalt (lees: ieder dag). Dus nu zetten wij elke ochtend een helm op, springen we achterop bij een boda boda-chauffeur en razen wij over de heuvels, langs files en sloppenwijken naar ons werk.

De gedwongen vakantie aan het Kivumeer was geen straf.

De gedwongen vakantie aan het Kivumeer was geen straf.

Ok, een beetje incasseringsvermogen is wel nodig

Uiteindelijk zijn we een paar honderd euro verloren aan onze plotselinge verhuizing naar Oeganda. En het was natuurlijk even omschakelen, al was het alleen al omdat we onze journalistieke belangstelling voornamelijk op Rwanda hadden gericht. Maar deze hele situatie deed ons ook beseffen wat voor een lucky bastards we zijn. We kunnen die paar honderd euro missen. We hebben een ambassade die ons met raad en daad bijstaat. We hebben een netwerk, waardoor we een woning zo geregeld krijgen. En als alles dan écht misgaat kunnen we altijd terug naar Nederland.

Inmiddels genieten wij met volle teugen van Kampala en Oeganda. Hoewel veel mensen hier vechten voor hun bestaan, zitten ze nooit verlegen om een gulle lach, goede grap of nieuwsgierige vraag. We voelen ons thuis in deze chaotische stad, waar het leven 24/7 door lijkt te gaan. En qua werk hebben we de verloren dagen al lang weer ingelopen. Dus of Oost-Afrika een geschikte bestemming is voor digitale nomaden? Ja zeker! Mits je een beetje flexibel bent en incasseringsvermogen hebt. Dat wel.